Een kritische terugblik op honderd jaar taalzorg en taaladvisering in Vlaanderen. En wat brengt de toekomst?

Peter Debrabandere  ·  28ste Conferentie Onderwijs Nederlands  ·  2014  ·  pagina 222 - 226

Download artikel

28ste HSN-CONFERENTIE

Ronde 8

Peter Debrabandere

Katholieke Hogeschool VIVES

Contact: peter.debrabandere@vives.be

Een kritische terugblik op honderd jaar taalzorg en taaladvisering in Vlaanderen. En wat brengt de toekomst?

  1. Negentiende eeuw

De taaladvisering in het Vlaanderen van vandaag is een verre uitloper van een ontwikkeling die in de 19de eeuw op gang kwam. Toen Vlaanderen op een onaangename manier geconfronteerd werd met de werkelijkheid dat alles wat in België belang had, alleen in het Frans kon functioneren, ontstond de Vlaamse beweging, die wegen zocht om het Nederlands (of het Vlaams) in België naast het Frans te laten meetellen. Daarbij moest een knoop doorgehakt worden. Wat zou dan de taal van Vlaanderen moeten worden? Want Vlaanderen had in de 19de eeuw geen eigen cultuurtaal. In Vlaanderen sprak het volk zijn dialect, van dorp tot dorp verschillend. De Belgische (Waalse en Vlaamse) elite sprak Frans en keek neer op de dialecten die in Vlaanderen gesproken werden.

Vlaanderen kon een eigen Vlaamse taal gaan ontwikkelen. Maar de Franstalige elite vond dat Vlaams niet geschikt als cultuurtaal, waardoor er in de Vlaamse beweging ook een stroming ontstond die meer heil zag in aansluiting bij het Nederlands dat in Nederland gesproken werd. Die integrationistische stroming stond de hele 19de eeuw lang tegenover de particularistische stroming, die ijverde voor een eigen Vlaamse taal. Gaandeweg wonnen de integrationisten de strijd. Het Nederlands zou de taal van Vlaanderen worden; hetzelfde Nederlands als dat van Nederland.

  1. Twintigste eeuw

Naarmate de Vlaamse beweging steeds meer taalterrein op het Franstalige bastion terugveroverde, moest die aanvankelijk theoretische keuze voor het Nederlands ook vorm krijgen. Die noodzaak werd nog duidelijker zodra het onderwijs in Vlaanderen vanaf 1930 helemaal Nederlandstalig werd. Het Nederlands moest uit Nederland ‘geïmporteerd’ worden. En dus zagen allerlei publicaties het licht die als doel hadden dat Nederlands voor te schrijven. Ik concentreer me in wat volgt op het lexicon. Het standaardwerk (en basiswerk voor veel navolgers) was Peeters (1930). De zogenaamde

222

8. Taal- en letterkunde

taalzuiveraars bouwden een hele argumentatie op ter verantwoording van hun streven om het Nederlands in Vlaanderen op Noord-Nederlandse leest te schoeien. Zie daarvoor (de inleiding van) bijvoorbeeld Peeters (1930), Daman (1946) en Heidbuchel (1962). In die werken (en ook in tijdschriften als Nu Nog en Bouw) werd de, van het Nederlands in Nederland afwijkende, ‘Zuid-Nederlandse’ woordenschat gecategoriseerd: ‘dialectwoorden’, ‘gallicismen’, ‘purismen’, ‘archaïsmen’, etc. Die categorisering werd op den duur de verantwoording zelf voor het niet accepteren als ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’ (ABN), wat we nu ‘Standaardnederlands’ zouden noemen.

De Dikke Van Dale die in de 19de-eeuwse uitgaven nog een exclusief NoordNederlands woordenboek was en dus relatief weinig woordenschat opnam die exclusief ‘Vlaams’ was – als er dan toch eens een ‘Vlaams’ woord opgenomen werd, dan werd het als ‘Zuidn[ederlands]’ gelabeld – ging in de tweede helft van de 20ste eeuw, door de veranderende positie van het Nederlands in de Vlaamse maatschappij, over tot een steeds gedetailleerder beschrijving van de ‘Zuid-Nederlandse’ woordenschat. In de uitgave van 1950 kreeg het label ‘Zuidn.’ het gezelschap van het label ‘in Belg[ië]’ voor institutionele termen. In latere uitgaven (1984; 1992/1995) werd de beschrijving verfijnd. Enerzijds waren er de labels ‘in Belg.’ (nu voor zowel ‘institutionalismen’ als voor woorden die als standaardtalig in België werden beschouwd) en ‘gew[estelijk]’ voor zowel dialectische of regiolectische woorden als in heel Nederlandstalig België gebruikelijke woorden die niet als standaardtalig beschouwd werden. Anderzijds werden ook nog labels of markeringen als ‘gall[icisme]’ en ‘purisme’ gebruikt.

Van Dale nam dus gedeeltelijk het beschrijvingsapparaat van de taalzuiveringsliteratuur over. En dat gebeurde terwijl in Vlaanderen de discussie over wat nu acceptabel Nederlands was al meerdere decennia volop woedde. Elke nieuwe uitgave van de Dikke Van Dale was weer aanleiding voor kritische beschouwingen. Tot in de jaren 1990 werden steeds weer nieuwe voorstellen gedaan voor een betere of meer genuanceerde beschrijving van de Belgisch-Nederlandse woordenschat, onder andere door Willemyns (1986), Taeldeman (1992) en Hagen (1995). De beschrijving van de Belgisch-Nederlandse woordenschat was dus in de jaren 1980 en 1990, zowel in de taaladviesliteratuur als in de Dikke Van Dale (en ook in andere verklarende woordenboeken), gebaseerd op een categorisering die steunde op de analyse van de bron en herkomst van die woordenschat (‘dialectisme’, ‘gallicisme’, ‘purisme’, ‘archaïsme’, etc.). En in de Dikke Van Dale (en andere woordenboeken) leidde die werkwijze tot impliciete afkeuring van de in die zin gelabelde woorden en betekenissen.

3. Eenentwintigste eeuw

De analyse van de Belgisch-Nederlandse woordenschat op basis van bron en herkomst ruimt plaats voor een andere werkwijze. Van Dale maakt in de uitgaven van 1999 en

8

223

28ste HSN-CONFERENTIE

2005 nog steeds gebruik van het label ‘gew[estelijk]’ en labelt alle andere BelgischNederlandse woordenschat als ‘Belg.N.: Belg.N.’ (= standaardtaal in België), ‘Belg.N.’ in combinatie met een toevoeging als ‘spreekt[aal]’, ‘niet alg[emeen]’ en ‘veroud[erd]’ (= geen standaardtaal). Die onderscheidingen zijn gebeurd op basis van corpusonderzoek. Ondertussen wordt het Nederlandse taalgebied gezien als een bicentrisch taalgebied, waarin Nederlands-Nederlands en Belgisch-Nederlands gelijkwaardig zijn. Die gelijkwaardige varianten worden ‘natiolectismen’ genoemd (Martin 2001). Prisma Handwoordenboek Nederlands (2009) is het eerste verklarende woordenboek van het Nederlands dat op basis van corpusonderzoek volgens het bicentrisch model werkt. Ook het nog niet afgewerkte online woordenboek Algemeen Nederlands Woordenboek (2014) gaat uit van het bicentrisch model. Taaladvies.net (2000-2014) is een kleine tien jaar geleden overgeschakeld van het geven van taaladvies op basis van het criterium van bron en herkomst, naar taaladvies volgens het bicentrisch taalmodel, steunend op corpusonderzoek en panelonderzoek. De volgende uitgave van de Dikke Van Dale zal ook volgens het bicentrisch model werken.

4. En de toekomst?

Ondertussen is duidelijk dat de nieuwe aanpak voor de lexicografie zinvoller is dan de vroegere werkwijze. Maar dan rijzen nieuwe vragen:

  • Vooral Van Dale gaat als verklarend woordenboek nog steeds gedeeltelijk door voor een normatief woordenboek. Moeten verklarende woordenboeken van het Nederlands hun rol van taaladviseur dan niet helemaal loslaten?

  • Als taaladvisering (zoals bij Taaladvies.net) gebaseerd is op corpusonderzoek en panelonderzoek, wat is dan het verschil met de lexicografie? Moet taaladvisering niet wat verder gaan dan het louter vaststellen van feiten?

  • De taaladvisering oude stijl (jaren 1950 tot 1980/1990) heeft het Nederlands in Vlaanderen richting Nederland doen opschuiven (Hendrickx 2013). Maar wat is het effect van de taaladvisering nieuwe stijl? Neemt het Nederlands in Vlaanderen nu weer meer afstand van het Nederlands in Nederland? En als het antwoord ‘ja’ is, dan kan je je afvragen of wel het zinvol is om de in de loop van meerdere decennia ontstane toenadering te laten omslaan in verwijdering. Hoe gaat het onderwijs om met de nieuwe taaladviseringsmethoden? Beleidsteksten van ministers van onderwijs, leerplannen, competentielijsten, etc. maken tot op vandaag nog steeds alleen maar gebruik van de termen ‘Standaardnederlands’ en ‘Nederlandse standaardtaal’. Maar hoe moet het onderwijs omgaan met de vier categorieën van Taaladvies.net:‘standaardtaal in het hele taalgebied’; ‘standaardtaal in België’; ‘in België, geen standaardtaal’ en ‘in België, status onduidelijk’? Moet het onderwijs ‘standaardtaal in het hele taalgebied’ als standaardtaal hanteren en doorgeven aan de leerlingen? Slagen Vlamingen (en Nederlanders) erin om in de situaties waarin

224

8. Taal- en letterkunde

dat wenselijk is, de variant ‘standaardtaal in het hele taalgebied’ te spreken of te schrijven?

  • In het verleden klonk als kritiek op het oude systeem vaak dat de tweedeling tussen ‘correct Nederlands’ (= Noord-Nederlands en enkele bijzondere categorieën Belgisch-Nederlands) en ‘fout Nederlands’ (= het overige Belgisch-Nederlands: ‘gallicismen’, ‘purismen’, ‘dialectismen’, etc.) de Vlaming met een complex opzadelt en dat je toch niet kunt verwachten dat Vlamingen voortdurend boekjes moeten raadplegen om te weten wat ze mogen zeggen of schrijven en wat niet. Nu is er geen tweedeling meer, maar een vierdeling (zie boven). Hoe werkbaar is dat? Is de verwarring die er vroeger was, nu niet nog groter? Wie houdt die vier categorieën uit elkaar?

Die vragen zijn tegelijkertijd de basis voor een discussie waar deze lezing mee afgerond kan worden en een uitnodiging om verder onderzoek te doen naar de effecten van de nieuwe taaladvisering en de lexicografische vernieuwing op het Nederlands in België.

Referenties

Daman, J.A. (1946). Het algemeen beschaafd in Vlaanderen (Zuid-Nederland). Gent: Daphne.

Hagen, A.M. (1995). “Gemarkeerdheid van de Belgisch-Nederlandse woordenschat”. In: Taal en Tongval, jg. 47, nr. 2, p. 133-148.

Heidbuchel, H. (1962). ABN-woordenboek. Hasselt: Heideland.

Hendrickx, E. (2013). Het effect van lexicale taaladvisering op het Belgisch-Nederlandse taalgebruik: Een diachroon corpusonderzoek naar factoren van invloed. Proefschrift. Leuven: KU Leuven.

Martin, W. (2001). “Natiolectismen in het Nederlands en hun lexicografische beschrijving”. In: Belgisch tijdschrift voor filologie en geschiedenis, jg. 79, nr. 3, p. 709-736.

Peeters, C.H. (1930). Nederlandsche taalgids: Woordenboek van belgicismen. Antwerpen: De Sikkel.

S.n. (2000-2014). Taaladvies.net. Online raadpleegbaar op: taaladvies.net.

S.n. (met medewerking van W. Martin & W. Smedts) (2009). Prisma Handwoordenboek Nederlands (met onderscheid tussen Nederlands-Nederlands en Belgisch-Nederlands.. Houten: Het Spectrum.

S.n. (2014). Algemeen Nederlands Woordenboek. Online raadpleegbaar op: http://anw.inl.nl.

8

225

28ste HSN-CONFERENTIE

Taeldeman, J. (1992). “Welk Nederlands voor Vlamingen?”. In: Nederlands van Nu, jg. 40, nr. 2, maart-april, p. 33-52.

Willemyns, R. (1986). “Regionalismen in het Nederlands”. In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, jg. 1986, p. 108-131.

226

Labels

doelgroep
NT1-leerlingen
domein
taalbeleid
land
Belgiƫ
onderwijstype
basisonderwijs
lerarenopleiding
voortgezet/secundair onderwijs

Dit artikel is onderdeel van

Onderdeel van

28ste Conferentie Onderwijs Nederlands · 2014