Lettres Européennes

Martine de Clerq  ·  5de Conferentie Het Schoolvak Nederlands  ·  1991  ·  pagina 57 - 64

Martine de Clercq LETTRES EUROPEENNES

'Lettres européennes'; het moge U verbaasd hebben een Franse titel te zien en te horen in het kader van een conferentie over 'Het schoolvak Nederlands'. Nochtans hebben de organisatoren deze titel verkozen boven de oorspronkelijke titel "De Europese literatuur: e pluribus unum?" Heel veel verschil maakt het echter niet uit. Hoe dan ook, het accent van deze bijdrage ligt op drie invalshoeken: "Europees", "literatuur", eenheid en verscheidenheid.

Alvorens ik aan mijn uiteenzetting begin, wil ik toch even het volgende kwijt: er zijn bij het overnemen van mijn tekst, zoals die op p. 16 van het programmaboek is verschenen, een paar kleine schoonheidsfoutjes binnengeslopen ... helemaal niet erg, maar toch. Een paar ervan wil in hun juiste context terugplaatsen. Vermoedelijk dacht Hans Magnus Enzensberger "ook" aan Europa toen hij zijn boek schreef, maar hij heeft een toch wat ironischere en soms zelfs wel wat cynischere kijk op "Ach Europa". Concordanties tussen tegenwoordige en verleden tijden zijn niet altijd gerespecteerd geworden, en liefst had ik "hebben verleend" niet met een "t" op het einde gezien, zeker niet op een conferentie als deze. Er zijn nog andere veranderingen aangebracht aan mijn tekst, waarvan ik me afvraag waarom die dienden te gebeuren, maar ik ga er niet verder over zitten zeuren. Ik besef maar al te goed hoe snel sommige zaken moeten klaargestoomd worden ... Sorry voor dit kleine intermezzo, en toch oprecht dank aan de organisatoren voor de uitnodiging om hier aanwezig te zijn.

Er is me gevraagd geweest het project 'Lettres européennes' voor te stellen. Een drietal jaren geleden werd er een Franse VZW opgericht waarvan de leden zich tot doel hadden gesteld zich te bezinnen rond de "Europese culturele identiteit."

Om hieraan concreet gestalte te geven werden een aantal mensen uit verschillende landen van de Europese gemeenschap gecontacteerd om deel te nemen aan een synoptisch werk over de geschiedenis van de Europese literatuur. Deze mensen op hun beurt namen contact op met een aantal specialisten die ervoor zorgden dat specifieke domeinen van de verschillende Europese literaturen diachronisch konden behandeld worden. De drukproeven van dit gezamenlijk werk (ongeveer 140 mensen hebben hieraan hun medewerking verleend) liggen klaar bij Hachette in Parijs om midden '92 in definitieve vorm te kunnen verschijnen. Contacten werden genomen met Meulenhoff, die zich bereid verklaarde om voor een Nederlandse editie te zorgen. Het werk bestaat uit 14 hoofdstukken, gaande van de 7de eeuw tot en met de hedendaagse periode, voorafgegaan door een aantal inleidende hoofdstukken die het Grieks-Latijnse, Joods-Christelijke en

57

Byzantijnse erfgoed benaderen; ook wordt aandacht besteed aan de Afrikaanse, Arabische, Chinese, Japanse, Amerikaanse en andere culturen waarmee de Europese cultuur op een of ander manier verbonden is.

U zal zich ondertussen wel afvragen hoe en in welke mate aan al deze literaturen (en sinds de afbraak van de muur van Berlijn, zijn ook de Centraal- en Oosteuropese landen erbij gekomen), verspreid over de eeuwen heen, aan hun trekken kunnen komen. De aandacht gaat vooral uit naar de convergenties, de gelijklopende tentlenzen, waarvoor de meest representatieve auteurs en hun werk werden gekozen; daarnaast worden de divergenties, of met andere woorden de eigen specifieke nationale kenmerken van deze literaturen ook in de verf gezet.

De hoofdzakelijk discursieve tekst wisselt op geregelde tussenpozen, af met fragmenten originele teksten met Franse vertaling erbij, en fraaie illustraties uit verschillende contexten die de economische, politieke, sociale en breed-culturele aspecten voor elke periode in kaart brengen. Daarnaast werden een 20-tal "auteurs-phare"-bakens gekozen die een iets extensievere behandeling krijgen; voor elke periode wordt één van de dominerende genres gedetailleerder ontwikkeld. De doelgroep is het brede gecultiveerde publiek.

Diezelfde vereniging heeft zich verder tot doel gesteld dit breed Europese panorama, of zoals het in het NRC-Handelsblad (1 juli 1991) genoemd wordt de 'internationale Eurodelta', kenbaar te maken aan een andere doelgroep, met name de leerlingen van het secundair onderwijs van de verschillende Europese landen, voornamelijk die van de Europese gemeenschap via de Europese commissie, en de andere Europese landen via de Raad van Europa. Binnen dit perspectief werden een aantal vergaderingen gepland waarbij de curricula werden vergeleken en de° verschillende handboeken. Onze collega Frans Hertoghs zal U daar misschien iets meer kunnen over zeggen, over de verschillende attitudes tegenover het literatuuronderwijs en de reële kloof tussen Noord- en Zuid-Europa. Ik laat dit aan hem over en wil me nu meer concentreren op het fenomeen zelf. Hoe komt het dat zo'n VZW is opgericht? In welke mate is dit symptomatisch voor wat de laatste jaren aan het gebeuren is, voor wat zich op de Europese scene afspeelt. Meteen moge dit ook een soort reflectie zijn over wat we zelf aan het doen zijn, wanneer we een cursus 'Europese literatuur' doceren, waarom we het doen en hoe we onze studenten kunnen betrekken bij dit boeiende maar complexe gegeven.

 
 

Er gaat geen dag voorbij of we lezen in een of andere krant, of magazine iets over 'Europa 1992'; een greep eruit: "In de culturele tussenhandel ligt onze kracht", "lezers van VN over de (minder) aardige kanten van Europa", enz.

 

De BBC lanceert vanaf 30 september haar "Europe today" en "Europe tonight"; we zijn allen min of meer vertrouwd met Maxwells The European. We zijn het misschien iets minder met gespecialiseerde tijdschriften zoals Lettre internationale dat simultaan in zes verschillende talen en hoofdsteden verschijnt en ons een breed panorama geeft met teksten van de hedendaagse schrijvers zoals C. Milosz, J.

58

Goytisolo, U. Eco, M. Kundera, C. Nooteboom, P. Mertens, H. Claus en met 'Euromaske' dat ons een mooie synthese geeft van de verschillende theatermanifestaties over heel Europa. Denken we ook aan het tijdschrift Irish Review, waarin Dublin als culturele hoofdstad van Europa aan haar trekken komt in haar zovele facetten gaande van Joyce tot Beckett over een heel gamma schrijvers heen, die allen aan Dublin een naam en een gezicht hebben gegeven. Willen we van Europalia genieten, moeten we ons toch de tijd gunnen om iets meer over Portugal en haar cultuur te weten te komen.

Naast deze manifestaties, krijgen we steeds meer werken die alle het fenomeen Europa menen te kunnen doorlichten; hoe pessimistisch het werk van Alain Finkelkraut soms ook moge zijn in de afbeelding van het barbarisme in Europa, toch grijpt hij ook naar Goethe en stelt hem als voorbeeld, als prototype van de produktieve opvoeding: "Tout ce qui ne fait que m'instruire sans accroître mon activité ou me vivifier sur-le-champ m'est odieux" (A. Finkelkraut 1990, p.159).

In L'autre cap (1991) ondervraagt J. Derrida op zijn typische' deconstructivistische manier (niet altijd even toegankelijk en genietbaar, maar toch uitdagend) het begrip Europa. Hij werd geboren aan de andere kant van de Middellandse zee; hij woont nu aan de andere kant van de oceaan. Deze verschillende locaties laten hem toe verschillende perspectieven te ontwikkelen. Europa wordt steeds geconfronteerd enerzijds met een glorieus verleden, zijn ideeën over vrijheid en universele rechten, anderzijds, met zijn destructieve krachten. In die spanning, in die paradox is het voortdurend op zoek naar zichzelf (de recente politieke ontwikkelingen in Rusland en de Sovjetunie moge er het sprekend voorbeeld van zijn, nu Leningrad terug Sint Petersburg is geworden!).

Waarom al deze voorbeelden? Het moge U opgevallen zijn dat in al deze voorbeelden telkens een referentie is naar het verleden. Deze bijdrage moge dan ook een pleidooi worden om in het literatuuronderwijs toch een zekere historische dimensie in te voeren, om elk actueel feit te begrijpen vanuit een historisch perspectief. Wat betekent de verandering van Leningrad in Petrograd? Is het niet verleidelijk om via de gebeurtenissen van nu, terug te gaan naar bv. de Njefski Prospekt in de Peterburgse verhalen van Gogol?

Onze bekommernis is na te gaan in hoeverre jonge mensen van verschillende leeftijdscategorieën enig besef hebben van wat er zich allemaal voordoet. Zijn zij zich bewust van een bepaalde identiteit? Is die Europees te noemen? Wat houdt ze in?

Uiteraard is het boeiend om na te gaan hoe zij er spontaan op reageren, welke hun antwoorden zijn, waarop zij de klemtonen willen leggen. Dit kan in een eerste fase heel gevarieerd zijn, afhankelijk van leeftijd, sociale achtergrond, milieu, opvoeding, lectuur, etc. Sommigen zullen het motief van de stad (wat betekent de stad voor mij? welke gevaren zijn er? hoe fascinerend is ze?) aansnijden; anderen zijn veel meer bekommerd om zichzelf, de ontwikkeling van de eigen persoon; nog anderen

59

proberen te communiceren via allerlei middelen, bv. per brief; nog anderen willen zich politiek engageren en volgen de gebeurtenissen op de voet.

Binnen het kader van literatuurlessen zouden al deze invalshoeken als soort motieven kunnen fungeren van waaruit men kan vertrekken om ze in een bredere context te kunnen terugplaatsen.

Op zoek naar een culturele identiteit kan men bv. via de reeds aangesneden motieven als omgeving, identiteit, politiek, teruggaan naar het verleden en zich afvragen hoe bv. bepaalde facetten van het leven er in de 18de eeuw uitzagen om op basis van die voorbeelden mogelijke antwoorden te vinden voor onze 20ste-eeuwse problemen. Hier kan de literatuur een heel belangrijke rol spelen als document van een bepaalde periode, zeker ook als we de teksten zien als weefsels, netwerken waarin zovele draden samenkomen. We gaan er (voorlopig) nog van uit dat een literaire tekst de volgende kenmerken vertoont en kan beschouwd worden als:

  1.    een uitdrukking van een bepaalde perceptie van de werkelijkheid (filosofische component);

  2.    de weergave van bepaalde maatschappelijke structuren (sociologische component);

  3.    de uitdrukking van het engagement van de auteur (de ethische component);

  4.    een bepaalde vormgeving (de poëtische component).

Als men vanuit zulk referentiekader vertrekt, dan kan men bv. nagaan in hoeverre de opkomst van het empirisme een doorslaggevende rol heeft gespeeld in het ontstaan van bv. de burgerlijke roman in de 18de eeuw, met de nadruk op de ervaring, de beschouwing, de omgeving met als voorbeeld Robinson Crusoe van D. Defoe, waarin de natuurlijke omgeving centraal staat. Al deze gegevens kunnen dan gerelateerd worden aan bepaalde ervaringen van nu, waarin de bekommernis voor de omgeving en het milieu vaak centraal staat. Het is ook een reisverhaal, een avonturenverhaal; zovele snaren die kunnen bespeeld worden al naar gelang de interesse, die gaandeweg ook kan aangewakkerd worden.

Men kan de rol van de revoluties toelichten van 1689 en 1789 en nagaan in hoeverre bepaalde ideeën verwerkt worden en ons een beeld geven van bepaalde maatschappelijke structuren, zoals bv. de opkomst van de burger die zijn omgeving bewoonbaar maakt en daarvoor contracten opmaakt. Denken we bv. aan Rousseau met zijn Du contrat social. Die revoluties kunnen bv. in verband gebracht worden met de hele omwenteling die zich in Oost- en Centraal-Europa en Rusland afspeelt.

De auteur speelde in de 18de eeuw vaak de rol van moralist, van opvoeder en legde de klemtoon op de 'Empfindsamkeit', de 'sensibility'; begrippen die wij in ons opvoedingssysteem nog steeds kunnen hanteren en waar we steeds nog naar streven om die te verwezenlijken. Gevoelig zijn voor, openstaan voor, mondig worden - 'Was ist Aufklärung?'; het zijn nog steeds onze idealen. Het begrip individualiteit wordt steeds verder uitgediept. Wat bepaalt onze individualiteit? Hoe

60

kunnen we ons als individu in een gemeenschap ontplooien? Hoe kunnen we ons uitdrukken?

In de 18de eeuw streeft men ernaar zo dicht mogelijk bij de realiteit aan te leunen via een taal die niet meer zo gekunsteld hoeft te zijn; de 'middle style'. De uitdrukkingsvormen zijn dan vaak ook een weergave van de dagelijkse realiteit. De briefroman is de geliefkoosde vorm, waarin niet alleen de redelijkheid tot uiting komt, maar ook het sentiment(ele).

Zo gezien lijkt het of de 18de eeuw een harmonieuze periode moet geweest zijn, waarin het gezonde verstand, het gemeen goed, de goede smaak prevaleerden. Het zou echter niet de 18de eeuw geweest zijn, indien er ook geen plaats zou geweest zijn voor humor, ironie, kritiek.

De werkelijkheid werd in vraag gesteld via het experiment (Diderot), de samenleving was niet altijd rooskleurig, vandaar de noodzaak aan het aanleren van 'verdraagzaamheid', het optimisme werd vaak in vraag gesteld en de werkelijkheidsweergave werd vaak ironisch doorprikt, zoals bv. door Sterne in Sentimental Journey:

"Aldus kan de gehele schare van reizigers worden herleid tot de volgende hoofden.

Ledige Reizigers,

Nieuwsgierige Reizigers, Leugenachtige Reizigers, Hoogmoedige Reizigers, Ijdele Reizigers,

Zwaarmoedige Reizigers.

Dan volgen de Reizigers uit Noodzaak,

De misdadige en snode Reiziger,

De ongelukkige en onschuldige Reiziger,

De simpele Reiziger,

En ten slotte/sic/ (met uw welnemen) De

Sentimentele Reiziger (waarmee ik mezelf bedoel) - ik, die een reis heb gemaakt, een reis die ik nu te boek zit te stellen- evenzeer uit Noodzaak en het besoin de voyager als wie dan ook in deze rubriek. ...

Voor mijn lezer, als hij tenminste zelf een reiziger is geweest, is het voldoende dat hij door studie en nadenken zijn eigen plaats en rang op de lijst kan bepalen - dat zal hem een stap dichter bij zelfkennis brengen; want het kan haast niet anders of enige kleur en gelijkenis van wat hij heeft ingedronken of opgedaan is hem tot op de dag van vandaag, bijgebleven. ...

Deze tijd is zo verlicht dat er in Europa nauwelijks een land of uithoek is welke stralen niet met andere kruisen en mengen..." (Sterne, Sentimentale Journey (Een sentimentele reis), p.9-10).

In verband met het fragment zijn er heel wat mogelijke invalshoeken al naar gelang

61

de specificiteit van de doelgroep: -de analyse van reizen is leven; het leven als

een reis; de reis doorheen de tijden; de betrokkenheid van de leerlingen peilen;

de analyse van de ironie ten overstaan van de reisverhalen, ten overstaan van de sentimentele roman, ten overstaan van de idealen van de 18de eeuw;

de visie op Fransen, op Engelsen (Europees perspectief).

Was het mogelijk om voor de 18de eeuw tot een aantal convergenties te komen (zonder daarom de typische nationale kenmerken te verwaarlozen -en in dat perspectief zou het interessant kunnen zijn een vergelijkend onderzoek te maken over de verschillende soorten briefromans, weliswaar voor een specifieker publiek), en hoewel hier niet uitgewerkt, ook voor de 19de eeuw, dan merken we dat zulke soort synthese voor de tweede helft van de twintigste eeuw al heel wat moeilijker is. Verschillende factoren spelen daarbij een rol; de toenemende informatiestroom via alle mogelijke middelen en ons beperkt synthesevermogen (tijd en ruimte); de afwezigheid van de zo noodzakelijke distantie; we zijn er te dicht bij betrokken.

Toch hebben we een poging ondernomen om een soort synthese te maken voor de periode 1945-1968, uitgaande van het existentialisme en het absurdisme, de verschillende soorten realismen, de rol van de fantastiek in de drie hoofdgenres; voor de allerlaatste periode hebben we ons alleen aan een aantal tendenzen, zoals het postmodernisme, het feminisme, de deconstructie, in hun verschillende gedaanten, gewaagd.

Het was een uitdagende taak, niet altijd even dankbaar (we verwijzen hier naar de talrijke discussies van het belang van de eigen literaturen op de Europese scene; het treffendste voorbeeld was de inbreng van de Centraal- en Oosteuropese landen die nu ineens de mogelijkheid zagen om 40 jaren stilte te doen spreken.) We merkten ook hoe ons beeld sterk anglo-francocentrisch georiënteerd was. Eén van de verrijkendste ervaringen was de ontdekking van moderne- Griekse auteurs (zoals M.Sachtouris) en Portugese auteurs en hun werk (zoals V. Ferreira, L. Bessa, J. Saramago).

Het beeld van Europa is oneindig. Het is onze taak om steeds creatieve momenten te vinden en het panorama te kleuren. Tijdens een bijeenkomst van een week met leerkrachten uit 14 verschillende landen die op uitnodiging van de Raad van Europa waren samengekomen in Donaueschingen, werden de volgende suggesties geformuleerd:

een compendium te maken van gedichten en kortverhalen die als representatief kunnen gezien worden voor elke literatuur (volgens welbepaalde criteria);

een bundel sprookjes samenstellen en commentariëren;

teksten verzamelen rond het thema 'Growing up after 1945';

teksten verzamelen rond het motief 'Europa'.

62

Dit sluit aan bij een activiteit die voorgesteld werd o.m. door H. de Jonghe tijdens een eerder praktisch georiënteerde bijeenkomst van 'Lettres européennes', nl. teksten te zoeken rond het schilderij van Breughel, 'De toren van Babel'.

Een andere invalshoek zou kunnen zijn, teksten te zoeken van geëxileerde schrijvers of schrijvers uit een andere cultuur die op Europa (terug)blikken, en nagaan hoe 'Europa' vanuit die hoeken gepercipieerd wordt; als voorbeeld kunnen we het gedicht Kind van Europa van C. Milosz nemen, en een fragment van een tekst van J. Salter, europe.

Kind van Europa

Dat je woorden hun betekenis niet aan zichzelf ontlenen Maar aan de strijd tegen wie ze worden gebruikt.

Smeed van dubbelzinnige woorden je wapen,

Laat de klare woorden zinken in de duisternis van de encyclopedie

Beoordeel geen woorden voordat de ambtenaar In zijn register nagaat wie die woorden spreekt.

De stem van de passie is beter dan de stem van het verstand, Want passielozen kunnen de geschiedenis niet veranderen.

(Vertaling door Bea Michiels; opgenomen in de bundel: Freiheit 9 (1990),1, p.59).

James Salter spreekt in zijn europe onder het motto 'We thought we had inherited history but we were merely part of it, the many leaves', en zegt dan:

Kant had four questions which he believed philosophy should answer; What can I know? What may I hope? What ought I do? What is man? All of these Europe helps to clarify. It is the home of civilization. Its strenghts are vertical, which is to say they are deep. The thing it finally gave was education, not the' lessons of school but something more elevated, a view of how to endure: how to have leisure, love, food, and conversation, how to look at nakedness, architecture, streets, all new and seeking to be tought of in a different way. In Europe the shadow of history falls upon you and, knowing none of it, you realize suddenly how small you are... (J. Salter, europe, in: Frank. An international Journal of Contemporary Writing and Art, 13, 1991, p.19-21.).

Dit brengt ons dan via de 18de-eeuwse verwijzing naar Kant bij V. Navel die in zijn Interrogatoire à distance het volgende neerschrijft:

II faut que l'homme trouve dans ce monde non seulement un domicile, mais aussi un "chez soi"; que son monde ait un ordre, une culture, un style. Qu'on y respecte et cultive avec sensibilité, même si ce doit être parfois au détriment de la productivité, le profil du paysage; qu'on vénère la fantaisie mystérieuse de la nature, ses couleurs, et la multitude de liens impénétrables qui la rendent homogène. (in: A. Finkelkraut, 1990, p.(7)).

63

De woorden "domicile", "sensibilité" zijn doordrongen van een 18de-eeuws humanisme; een ideaal dat in de 20ste eeuw nog steeds wordt nagestreefd.

Noot

Dr. M. de Clerq is werkzaam aan de K.U.Brussel, Vrijheidslaan 17.

Literatuur

Finkelkraut, A. (ed.), Le messager européen, Paris, Gallimard, 1990.

 

Labels

doelgroep
NT1-leerlingen
domein
literatuuronderwijs
land
België
onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs

Dit artikel is onderdeel van

Onderdeel van

5de Conferentie Het Schoolvak Nederlands · 1991