Zin en onzin van uitspraakonderwijs

Marc van Oostendorp  ·  21ste Conferentie Het Schoolvak Nederlands  ·  2007  ·  pagina 128 - 132

Download artikel

EENENTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

Ronde 5

Zin en onzin van het uitspraakonderwijs

Marc van Oostendorp

Marc. van.Oostendorp@Meertens.knaw.nl

Ruim tachtig jaar geleden schetste de beroemde Utrechtse neerlandicus Coenraad van Haeringen een afschrikwekkend beeld:12 in de toekomst zouden alle Nederlanders accentloos spreken. "Men kan dit betreuren — het is eenmaal niet anders", troostte Van Haeringen. "Beschaving is afschaving, Mooie, karakteristieke kleding verdwijnt voor modieuze eenvoudigheid. Oude traditie wordt opgeofferd aan de vrees voor alles wat afwijkend of ongewoon lijkt. Men moge die oude klederdrachten, die oude gebruiken om hun curiositeit aardig vinden, welk beschaafd mens wil nog door uiterlijk of manier van doen curieus zijn voor anderen? Zo ook op het gebied van de taal."

Van Haeringen vond dat er geen aanleiding was voor overdreven romantische gevoelens: de moderne tijd had nu eenmaal maling aan alle variatie. "Hoe hechter de eenheid van het land, hoe despotieser de macht van éen cultuurcentrum tegenover 'de provincie', hoe scherper en onmeedogender oor men krijgt voor alles wat gewestelik

is."

Had Van Haeringen gelijk? Wie nu naar de radio of de tv luistert, krijgt niet de indruk dat een `despoties' cultuurcentrum veel in de melk te brokken heeft. Het traditionele dialect, met al zijn schakeringen van het ene dorp naar het andere, heeft misschien langste tijd gehad, maar het gewestelijke element in de standaardtaal is bij lange na niet afgenomen, en juist eerder versterkt. Bovendien zijn er nieuwe accenten bijgekomen — uitspraakvormen die vooral gekleurd zijn door de immigratie van onder meer Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen.

De parallel met kleding die Van Haeringen trok, gaat, enigszins ironisch, wel nog steeds op: ook zijn voorspellingen daarover zijn slechts ten dele uitgekomen. De traditionele klederdrachten zijn buiten Scheveningen en Staphorst uit het straatbeeld verdwenen, maar dat betekent niet dat iedereen er hetzelfde uitziet, of dat men allerwegen bezweken is voor 'eenvoudigheid'; integendeel, de variatie in kleding is groter dan ook, en ook deze is deels door migratie bepaald.

12 C.B. van Haeringen, 'Eenheid en nuance in beschaafd-Nederlandse uitspraak'. In: De Nieuwe Taalgids 18 (1924), p. 65-86.

128

7. Taalbeschouwing

In zijn artikel doet Van Haeringen nóg een voorspelling die in het geheel niet uitgekomen is: "Mensen, die met hun stem moeten werken: predikanten, toneelspelers, onderwijzers, nemen hoe langer hoe meer 'spreekles'." Hoe het met die predikanten en toneelspelers zit, weet ik niet zeker, maar dat onderwijzers en leraren heden ten dage in groten getale spraakles zouden nemen, waag ik te betwijfelen. Ook in het taalonderwijs dat zijzelf verzorgen, speelt de uitspraak slechts een marginale rol. In de kerndoelen voor het basisonderwijs, de havo en het vwo wordt niet van uitspraaknormen gerept; alleen in de kerndoelen voor het vmbo komt uitspraak zijdelings ter sprake.

De grote drang naar eenheid heeft dus niet doorgezet. Moeten we dat betreuren? Zouden we de toch al uitgebreide kerndoelen voor het onderwijs Nederlands nog verder kunnen uitbreiden met explicietere aandacht voor de uitspraak? Zou zulk onderwijs niet juist een bijdrage kunnen leveren aan integratie? Dat zijn de vragen die in deze sessie aan de orde komen. In dit stuk draag ik alvast wat materiaal aan voor de discussie.

Uitspraakonderwijs in Nederland

Uit een enkele jaren geleden aan de Universiteit Antwerpen uitgevoerd onderzoek blijkt, dat er in het Nederlandse basis- en middelbaar onderwijs geen of nauwelijks aandacht is voor uitspraakkwesties.(13) Niet alleen zijn deze zoals gezegd niet opgenomen in de kerndoelen, ook de individuele lesmethodes maken er geen melding van. Er is alleen af en toe sprake van de puur 'technische' aspecten van de uitspraak: volume, duidelijkheid, spreektempo. Slechts één lesmethode(14) beveelt als 'algemene eisen die aan het spreken van correct Nederlands kunnen worden gesteld' aan om te letten op let zuiver uitspreken van de klanken', alsmede 'vloeiende overgangen tussen de klanken aanbrengen', overigens zonder dat erg duidelijk wordt wat hiermee precies wordt bedoeld. Het lijkt bijvoorbeeld voor een menselijke spreker (anders dan voor een computer) vrij lastig om géén 'vloeiende overgangen' tussen spraakklanken aan te brengen. Dat ligt nu eenmaal in de aard van de menselijke spraakorganen. In één andere methode(15) wordt de leraar juist expliciet aangeraden om zoveel mogelijk taalvariëteiten in de klas toe te laten, om zo spreekangst te voorkomen.

13 De gegevens in deze paragraaf komen voor een belangrijk deel uit Hanne Kloots' "Uitspraakonderwijs in het vak Nederlands in Vlaanderen en Nederland op het einde van de twintigste eeuw". Antwerp Papers in Linguistics 104. http://webh01.ua.ac.be/apil/apil104/index.htm

14 De Heer, K. (1996). Sprekenderwijs. Docentenhandleiding. Zutphen, Thieme,

1996, 1ste dr., 3de opl.

15 Bonset, H., M. de Boer, en J. Boland. 1999. Vanzelfsprekend. Mondelinge taalvaardigheid in de tweede fase,

129

EENENTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

In Vlaanderen is de situatie anders. In de eindtermen voor het onderwijs is daar expliciet de eis opgenomen dat de leerling 'algemeen Nederlands' moet spreken, en veel leerplannen nemen expliciete oefeningen op om te komen tot een 'verzorgde uitspraak' zonder 'opvallende (bijna altijd regionale) afwijkingen'. Voorts wordt her en der aandacht besteed aan individuele spraakklanken – met name aan individuele klinkers, aan het verschil tussen guur en huur, en aan klemtoon.

Dat er verschil bestaat tussen Nederlands en Vlaams onderwijs verbaast om historische redenen waarschijnlijk niemand. Vaak wordt er in dit soort gevallen op gewezen dat Vlaamse leerlingen van huis uit minder gemakkelijk Algemeen Nederlands spreken, dat het Nederlands voor hen meer een vreemde taal is, en dat er in het algemeen in Vlaanderen een andere taalcultuur heerst dan in Nederland, met meer aandacht voor de standaardtaal, al is het maar als een al dan niet puur hypothetische baken tegen het Frans.

Tegelijkertijd kunnen we ons afvragen of deze historische argumenten nog wel zoveel basis bieden voor het huidige verschil. Aan de ene kant komen er in het Nederlandse klaslokaal natuurlijk steeds meer leerlingen voor, wie het Nederlands helemaal geen vanzelfsprekendheid is, laat staan het Algemeen' of Standaard-'Nederlands. Aan de andere kant is het dialect in Vlaanderen inmiddels even snel aan het verdwijnen als het dat eerder al in Nederland was; wie bovendien meent dat het Frans nog een reële bedreiging vormt, gaat voorbij aan het feit dat veel Vlaamse jongeren inmiddels de voorkeur geven aan het Engels als vreemde taal boven het Frans. En die eventuele `bedreiging' van het Engels doet zich in Nederland net zo goed gelden. De taalsituatie in de twee landen doet zich daarom steeds meer gelden, en dit doet de vraag rijzen of Vlaamse leermethoden beter naar Nederland zouden moeten kijken, of Nederlanders juist naar Vlaanderen.

Waarom een norm?

Van Haeringen introduceerde in zijn hierboven aangehaalde artikel een klassiek geworden definitie van het ideaal, die hij overigens geleend had van zijn Deense leermeester Otto Jespersen: "goed, d.w.z. beschaafd Nederlands spreekt hij, aan wie men niet horen kan, uit welk gewest hij afkomstig is". Die definitie is tamelijk ruim, omdat ze ervan uitgaat dat de enige niet-geaccepteerde taalvariëteiten regionaal gekleurde zijn. In zijn artikel onderstreept Van Haeringen echter dat ook 'vulgarismen' het taalgebruik minder 'algemeen beschaafd' kunnen maken, met: andere woorden dat ook sociaal gekleurd taalgebruik gemeden wordt door een spreker van "goed, d.w.z. beschaafd" Nederlands.

De vraag rijst nu waaróm we leerlingen een dergelijke norm zouden willen bijbrengen. Er zijn in de Nederlandse literatuur niet veel argumenten te vinden. Alleen de taalkun-

130

7. Taalbeschouwing

dige Jan Stroop lijkt heden ten dage een uitgesproken voorstander, maar veel van zijn argumenten spreken mij niet zo erg aan. Zo stelt hij dat 'correct spreken' een daad van beschaving is — een argument op basis van smaakcriteria, die niet iedereen hoeft te delen – en voorts dat de bestaande uitspraakvariatie weleens verwarrend kan zijn voor buitenlanders die Nederlands willen leren – een argument dat je ook kunt omdraaien: juist als er veel variatie is, zullen sprekers ook toleranter zijn voor buitenlandse accenten, wat de taal gemakkelijker kan maken.

Voor Van Haeringen en zijn moderne volgelingen, ligt het belangrijkste argument voor de hand. Als men in de samenleving een onbarmhartig oor heeft en ieder regionalisme onmiddellijk signaleert en de spreker aanwrijft, maken jonge mensen een betere kans om vooruit te komen in de samenleving als ze met hun spraakgebruik zo min mogelijk irritatie oproepen. Als het de taak is van het onderwijs om leerlingen zo goed mogelijk vooruit te laten komen, moeten ze hen dus ook 'accentloos' leren spreken.

Het is echter zinnig om stil te staan bij de vraag om welke redenen Van Haeringens voorspellingen niet uitgekomen zijn. We zouden daarvoor gebruik kunnen maken van de begrippen 'eenheidsdrift' en `distinctiedrift' die volgens Van Haeringens tijdgenoot Carry van Bruggen (in haar boek Prometheus uit 191916) in ieder menselijke psyche om voorrang streden: het verlangen om de ander zoveel mogelijk gelijk te zijn, en het verlangen om zoveel mogelijk van de ander te verschillen. We zouden kunnen zeggen dat Van Haeringen wel oog had voor de eenheidsdrift, maar de kracht van de distinctiedrift onderschatte. Deze laatste heeft er echter toe geleid dat regionale en misschien ook sociale kleuring van de standaardtaal in ieder geval in Nederland nooit verdwenen is. In Vlaanderen is er harder aan getrokken, maar ook hier is de laatste decennia steeds vaker sprake van `tussentag of regionaal gekleurde standaardtaal.

Merkwaardigerwijs is er niet heel veel empirisch onderzoek naar de gevoelens die regionale kleuring van de uitspraak oproept bij Nederlandstaligen. De actiefste onderzoeker op dit vlak in ons taalgebied is Renée van Bezooijen;(17) uit haar onderzoek komt naar voren dat sprekers over het algemeen de voorkeur geven aan Algemeen Beschaafd Nederlands', dat ze ook vrijwel zonder uitzondering allemaal herkennen, bijvoorbeeld in de spraak van Harmen Siezen.

16 Carry van Bruggen. Prometheus. Een bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de literatuur. Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1919.

17 Bijvoorbeeld Renée van Bezooijen 'Normen met betrekking tot het Standaardnederlands' . Taal en Tongval, 10 (1997): Standaardisering in Noord en Zuid, blz.30-48

18 Gerbert Kraaykamp. 'Dialect en sociale ongelijkheid. Een empirische studie naar de sociaal-economische gevolgen van het spreken van dialect in de jeugd,' Pedagogische Studiën, 82, 390-403

131

EENENTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

Over wat dit in de praktijk betekent, is veel minder bekend. Zijn sprekers van de standaardtaal nu wel of niet in het voordeel waar het bijvoorbeeld gaat om een positie op de arbeidsmarkt? Een onderzoek van de socioloog Gerbert Kraaykamp van de Radboud Universiteit Nijmegen" wijst uit dat "de sociale gevolgen van het spreken van dialect [tijdens de jeugd] overduidelijk negatief zijn. Personen die opgroeien met een dialect bereiken gemiddeld genomen een minder hoog opleidingsniveau, en doen het vervolgens ook nog eens minder goed op de arbeidsmarkt." Het gaat in Kraaykamps onderzoek echter expliciet over het gebruik van dialect, en niet over een regionaal gekleurde vorm van de standaardtaal. Dergelijk onderzoek – dat ook zijn eigen problemen heeft, want hoe stellen we deze regionale kleuring precies vast voor een voldoende grote groep personen? – laat vooralsnog op zich wachten.

We weten dus eenvoudigweg niet wat de invloed is van 'incorrecte' uitspraak op maatschappelijk succes. Maar zelfs als we een dergelijke invloed zouden kunnen aantonen, kwamen we terecht bij hét klassieke dilemma van de leraar die geconfronteerd wordt met strenge maatschappelijke taalnormen. We kunnen proberen de samenleving te veranderen of we kunnen proberen de individuele leerling aan de samenleving aan te passen. Beide zijn bijna hopeloze taken: de samenleving zal niet gemakkelijk van haar normen afstappen, al is het maar omdat taal zo'n belangrijk merkteken vormt van de distinctiedrift. Aan de andere kant lijkt het dwingen van de niet-standaardtalige in de mal van de standaardtaal oneerlijk en ondemocratisch: als de norm arbitrair is, of bepaald wordt door sociale factoren die op zichzelf al ongelijkheid impliceren, waarom zouden enkelingen dan gedwongen worden zich te conformeren aan andermans taalgebruik?

De oplossing van het dilemma is misschien wel: zorgen dat het uitspraakonderwijs niet gebaseerd is op een krampachtig streven naar een norm, en het afstraffen van alle klankvormen die niet aan die norm voldoen. In plaats daarvan zouden in de ideale wereld de leerlingen kunnen worden getraind in verwondering over de vele mogelijkheden die de menselijke mond als muziekinstrument biedt, en kinderen de kans bieden zich een uitspraakvariëteit eigen te maken die door anderen als 'mooi' ervaren wordt. Alleen zulk uitspraakonderwijs is zinnig; of het ook haalbaar is, is weer een andere vraag.

132

Labels

doelgroep
NT1-leerlingen
domein
mondelinge taalvaardigheid
land
Nederland
onderwijstype
basisonderwijs
voortgezet/secundair onderwijs
thema
evaluatie van onderwijsopbrengsten

Dit artikel is onderdeel van

Onderdeel van

21ste Conferentie Het Schoolvak Nederlands · 2007