Nieuwe tendensen in zakelijke communicatie in het secundair onderwijs

Rita Daelmans  ·  9de Conferentie Het Schoolvak Nederlands  ·  1995  ·  pagina 97 - 108

NIEUWE TENDENSEN IN ZAKELIJKE COMMUNICATIE IN HET SECUNDAIR ONDERWIJS

Rita Daelmans

Zakelijke communicatie zit duidelijk in de lift. De aandacht van vele leerkrachten is gewekt, maar de vraag blijft wel hoe leerlingen doelgericht en efficiënt leren communiceren. De volgende bladzijden willen je aanzetten om mee te denken rond praktische oefeningen, gestructureerde wegen en motiverende opdrachten voor schrijfvaardigheden.

De leerlingen moeten vaardigheden ontwikkelen die ze kunnen toepassen op elke schrijfopdracht. Dat kan alleen als ze inzicht verwerven in het hele proces dat ze moeten doorlopen om een goed resultaat te behalen. We weten immers allemaal dat het zinloos is om leerlingen zonder meer de opdracht te geven een brief te schrijven of een schema te maken, maar zelden leren we hoe ze stapsgewijs die opdracht moeten verwezenlijken. We bekijken de verschillende tekstsoorten los van elkaar en vergeten het geheel van het proces.

Een voorbeeld ter verduidelijking: de 'traditionele' leerkrachten hanteren nog altijd volgende regels als ze de leerlingen een samenvatting leren maken:

De leerlingen blijven hier met heel wat problemen zitten. Hoe haal je de hoofdgedachten uit een tekst? Hoe maak je een schema? Wanneer zijn de zinnen goed gebouwd? Hoe wordt je tekst helder?...

Wil je die problemen oplossen, dan moet je de leerlingen stapstenen geven om elke schrijfopdracht in verschillende fasen uit te voeren.

97

Het Schoolvak Nederlands

 

STAP 1

Teksten plannen = van te voren bepalen hoe de communicatiesituatie zich aanbiedt.

Wat wil je bereiken? = je doel bepalen. Wil je de ontvanger informeren, onderrichten, ontroeren, overtuigen of overhalen? Je kan bij de vijf verschillende doelen concrete vragen stellen en je doel heel nauwkeurig bepalen. Wat moet je ontvanger na je boodschap weten, kunnen, voelen, vinden of willen?

  •  Voor wie schrijf je? = je doelgroep analyseren. Je moet een duidelijk beeld krijgen van de personen aan wie je de boodschap richt om ze te kunnen beïnvloeden.

Een voorbeeld: je wilt je lezers overtuigen van de noodzaak van een huiscomputer. Nu moet je eerst te weten komen hoe zij tegenover dit onderwerp staan, welke vooroordelen ze hebben, of ze het nut onderkennen... Om die informatie te vergaren moet je een aantal vragen stellen. Daaronder doel-gebonden vragen, zoals: welke voorkennis hebben mijn lezers over dit onderwerp; welke vaardigheid hebben ze al? En meer persoonsgebonden vragen: wat is de gemiddelde leeftijd van mijn lezers; welke functie bekleden ze?

  •  Hoe wens je de boodschap over te brengen? = het kanaal en het medium bepalen. Omdat we in deze uiteenzetting ons alleen richten op schrijfvaardigheden, bepalen we alleen het medium. We maken een keuze uit de beschikbare media (fax, memo, brief, folder, verslag...) in functie van het doel, de doelgroep, de grootste efficiëntie...

Met welke beperkingen moet je rekening houden? = de randvoorwaarden onder de loep nemen. Voor schriftelijke opdrachten zijn je beperkingen: de tijd, de tekstruimte en de hulpmiddelen (tekstverwerking ja dan nee...).

STAP 2

Teksten ontwerpen = de inhoud en de structuur van een tekst bepalen.

  •  Heb je voldoende informatie en is die informatie goed geordend?

  •  Kan je hierbij standaardbouwplannen gebruiken of moet je ze zelf opstellen?

98

 

 

Nieuwe tendensen in zakelijke communicatie in het secundair onderwijs

   1.   Informatieve teksten

De inhoud van een tekst kun je inventariseren door geschikte vragen te stellen.

  •  Wat is het exacte onderwerp waarover je moet schrijven? (het tekstthema).

  •  Welke aspecten ga je daarvan behandelen? (de hoofdthema's)

  •  Hoe ga je die aspecten toelichten? (de subthema's). Meestal hoef je hiervoor zelf geen bouwplan te ontwikkelen, maar kan je standaardbouwplannen gebruiken. Ik veronderstel dat die voldoende ingeburgerd zijn en beperk me hier tot de uitwerking van een standaardbouwplan. Hoe ga je te werk?

Stap 1:   Formuleer de thema's van de hoofdvragen uit het bouwplan.

Stap 2:   Stel aanvullende vragen en formuleer subthema's (vinding van de informatie)

Stap 3:   Groepeer de nieuwe informatie rond gemeenschap-

pelijke subthema's (groepering van de informatie) Stap 4:   Schrap irrelevante subthema's (sanering van de

informatie).

Stap 5: Schik de subthema's bij de thema's van de hoofdvragen. Schik de thema's op een logische en verantwoorde manier (hiërarchisering van de informatie)

Als er geen standaardbouwplan voorhanden is, moet je zelf een bouwplan opstellen. Je moet nu zelf de hoofdvragen formuleren. Je volgt weer een stappenplan.

Stap 1:   Formuleer vragen en thema's - door bestudering van de opdracht:

- door brainstorming;

- door documentatie.

Stap 2:   Ga na of uit de thema's vragen en subthema's zijn
af te leiden (vinding van de informatie).

Stap 3, 4, 5: zoals bij het standaardbouwplan.

   2.   Argumentatieve teksten

I. Analyse

a. Elke argumentatie bestaat uit

  • een reeks argumenten die naar een conclusie leiden of;

  • een standpunt dat met argumenten is onderbouwd.

b. Een standpunt staat meestal in de kop van de tekst of in de

99

 

Het Schoolvak Nederlands

eerste alinea. Een conclusie staat achteraan in de tekst. Verbindingen tussen standpunt/conclusie en argument kunnen aangeduid zijn met signaalwoorden.

  1. Niet alle argumenten staan op hetzelfde plan. Hoofdargumenten worden ondersteund door subargumenten.

  2. Tegenargumenten worden liefst meteen weerlegd.

  3. Voorbehouden moeten ingebouwd zijn.

Enkele voorbeelden:

100

Nieuwe tendensen in zakelijke communicatie in het secundair onderwijs

II. Soorten

Je kan een inventaris opmaken van de soorten argumenten die gebruikt worden om een standpunt/conclusie te onderbouwen. Op zich heeft zulke indeling weinig zin, maar ze wordt belangrijk bij de beoordeling van de argumentatie (zie III). Vandaar dat we hier onderscheid maken tussen argumenten die berusten op:

  1. Regelmaat; de argumenteerder verklaart het ene verschijnsel door het andere op basis van een geconstateerde regelmaat en leidt daar een voorspelling of een verklaring uit af. Het gehuil van de wolven kondigt naderend gevaar aan. We zullen onze tocht dus waarschijnlijk niet kunnen voortzetten.

  2. Regels; hij beoordeelt op basis van normen en waarden. gedragsregel: Als je niet akkoord gaat met je belastingsaanslag, dan moet je een bezwaarschrift indienen. waarderingsregel: Een hotel zonder zwembad valt niet te overwegen.

  3. Autoriteit; hij doet een beroep op een deskundige.

De werkloosheid moet teruggeschroefd worden. Dat heeft de minister van arbeid en tewerkstelling gisteren in een interview nogmaals beklemtoond.

  1. Analogie; hij vergelijkt met een soortgelijke situatie in het verleden, met een analoog geval.

Ze zullen je klacht wel aanvaarden; ze deden het vorig jaar met de mijne toch ook.

  1. Voor- en nadelen; hij weegt de voor- en nadelen tegen elkaar af en beoordeelt zo een maatregel of een handeling. Voor de oplossing van het fileprobleem zijn er in principe twee oplossingen denkbaar. Een eerste mogelijkheid is de verhoging van de belastingen op de benzine. Een tweede mogelijkheid is de tol op de snelwegen. Beide maatregelen zijn effectief want het autogebruik wordt daardoor minder aantrekkelijk. Toch zou ik de voorkeur geven aan...

III. Beoordeling

De sterkte van een argumentatie hangt af van:

  1. de kwaliteit van de argumenten;

  2. de relevantie van de argumenten;

  3. de aanvaardbaarheid van de argumenten.

Omdat die begrippen erg moeilijk zijn, zetten we ze om naar enkele vragen:

Zijn er voldoende argumenten aanwezig?

Ontbreken er geen belangrijke argumenten?

Zijn de tegenargumenten weerlegd?

101

 

 

Het Schoolvak Nederlands

  •  Zie je een duidelijke relatie tussen het argument en het standpunt/de conclusie?

Kan je enkele kritische vragen stellen bij de argumentatie?

IV. Zelf een argumentatieve tekst opstellen

We beperken ons hier tot het zelf opstellen van de argumentatieve kern van een tekst. Uit wat de leerlingen stap voor stap leerden in de vorige hoofdstukken kunnen ze nu afleiden wat ze moeten neerschrijven. Ze ontdekken zelf het volgende stappenplan:

  1. Formuleer duidelijk het standpunt/de conclusie;

  2. Inventariseer de geschikte argumenten en onderbouw ze;

  3. Bedenk mogelijke tegenargumenten en weerleg ze.

Vragen die hier voor de leerling meestal nog onopgelost blijven, zijn:

  1. Hoe (waar) vind je argumenten, tegenargumenten...

  2. Hoe orden je de argumenten?

Vinding

Je kan de leerlingen stimuleren door:

1. Hun creativiteit aan te wakkeren.

  • Zoek voor de eerste opdrachten samen in een klasgesprek

naar een deel argumenten rond een eenvoudig onderwerp. - Geef de leerlingen een artikel dat ze als basis kunnen

gebruiken.

  • Stel een deel kritische vragen.

2. Brainstorming te introduceren.

  • Topische vragen zijn een goed hulpmiddel. Het zijn algemene vragen die je bij elk onderwerp kan stellen en die meestal beginnen met een vraagwoord: wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe, welke ...

Overtuig de leerlingen dat ogenschijnlijk knettergekke ideeën altijd kunnen leiden tot zinvolle combinaties.

  1. Een documentatie te laten aanleggen met knipsels uit tijdschriften en kranten; Beperk wel het aantal onderwerpen, anders wordt je controle nachtwerk!

  2. Ze praktisch gebruik te leren maken van de opzoekmogelijkheden van de bibliotheek.

Enkele tips voor de leerlingen bij verzameling en schrijven: hou je standpunt/conclusie steeds voor ogen;

ga logisch en eerlijk te werk;

maak je feiten geloofwaardig;

breng je mening als mening en niet als feit;

vorm een 'logische' conclusie.

102

Nieuwe tendensen in zakelijke communicatie in het secundair onderwijs

Ordening

Hier bestaan geen algemeen geldende regels, maar de klassieke volgorde van argumenten is:

  •  het eerste argument is op één na het sterkste;

  •  het laatste argument is het sterkste;

  •  de andere argumenten worden tussenin geplaatst.

Zo krijgt de schrijver meteen alle aandacht van zijn lezers en eindigt hij met de hoogste troef van zijn overtuigingskracht.

STAP 3

Alinea's bouwen = informatie bij elkaar brengen in samenhangende eenheden, zodat de lezer gemakkelijk kan volgen.

  •  Hoe deel je alinea's in? (vanuit bouwplan):

  • per hoofdvraag een nieuwe alinea;

  • een witregel tussen elke alinea; alinea's die sterk bij elkaar horen in één alineablok.

  •  Hoe structureer je ze?:

  • topische zin;

- met signaal- en verwijswoorden;

  • als eerste of als laatste zin;

  • uitwerkingszinnen.

Hoe laat je de zinnen op elk aar aansluiten?:

- links-rechtsprincipe;

  • vertrouwde info --> nieuwe info;

  • schakel- of terugkoppelpatroon.

STAP 4

Zinnen formuleren = de boodschap zo formuleren dat ze aangepast is aan het doel en aan de doelgroep.

Hoe formuleer je doelgericht?:

  • de werkelijkheid weergeven: informatieve formulering; een oordeel/gevoelens over de werkelijkheid weergeven: expressieve formulering;

  • de werkelijkheid veranderen: appellerende formulering.

  •  Hoe formuleer je ontvangergericht?:

  • contact met de ontvanger tot stand brengen: contactuele formulering;

een vlot begrip door de ontvanger bevorderen: heldere formulering.

103

Het Schoolvak Nederlands

Deze stapsgewijze benadering is een iteratief proces waarbij je uiteindelijk tot een volledig afgewerkt geheel komt. Bovendien laat ze je toe gaandeweg de nodige correcties aan te brengen en eigen accenten te leggen. Er bestaat immers geen enkele tekstsoort die je niet aan het proces kan onderwerpen.

104

 

Nieuwe tendensen in zakelijke communicatie in het secundair onderwijs

Om de leerlingen elk onderdeel van dit proces gemakkelijk bij te brengen, is het gebruik van een stroomschema (flow-chart) sterk aan te bevelen. Het geeft een schematische voorstelling van de volgorde van handelingen en beslissingen bij een activiteit. Het visualiseert het proces en blijft daardoor beter in het geheugen hangen dan een doorlopende tekst.

105

 

Het Schoolvak Nederlands

 

106

Nieuwe tendensen in zakelijke communicatie in het secundair onderwijs

 

107

 

Het Schoolvak Nederlands

108

Labels

doelgroep
NT1-leerlingen
domein
schrijfonderwijs
land
België
onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
thema
onderwijsleeractiviteiten

Dit artikel is onderdeel van

Onderdeel van

9de Conferentie Het Schoolvak Nederlands · 1995